ECLI:NL:CRVB:2008:BE9061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Wajong-uitkering bij verhuizing naar Ecuador zonder onbillijkheid van overwegende aard
Appellante, geboren in 1964 en arbeidsongeschikt sinds 1982, vroeg toestemming om haar Wajong-uitkering te behouden bij een verhuizing naar Ecuador vanwege gezondheidsklachten die daar minder ernstig zouden zijn. Het UWV beëindigde haar uitkering bij verhuizing naar het buitenland, omdat geen sprake was van een onbillijkheid van overwegende aard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep betwistte appellante dit oordeel en stelde dat medische redenen, waaronder DNA-afwijkingen die haar gevoelig maken voor luchtverontreiniging, een verhuizing naar Ecuador noodzakelijk maken. De Raad overwoog dat het exportverbod van Wajong-uitkeringen het uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen geldt. De omstandigheden van appellante voldeden niet aan de criteria voor toepassing van de hardheidsclausule, mede omdat er geen medisch objectief bewijs was voor een noodzaak tot verhuizing.
Verder concludeerde de Raad dat appellante geen rechten kon ontlenen aan ILO-conventie 118 voor export van haar uitkering. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De intrekking van de Wajong-uitkering bij verhuizing naar Ecuador leidt niet tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de Wajong-uitkering bij verhuizing naar Ecuador en wijst het hoger beroep af wegens ontbreken van een onbillijkheid van overwegende aard.