ECLI:NL:CRVB:2008:BE9638
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens niet gemelde inkomsten uit familiebedrijf
Appellant ontving sinds 1981 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Uit een fraudeonderzoek van het UWV, gebaseerd op gegevens van de Belastingdienst en verklaringen van familieleden en boekhouders, bleek dat appellant vanaf 1999 inkomsten genoot uit een familiebedrijf dat hij feitelijk leidde, ondanks dat het op naam stond van familieleden. Appellant betwistte dit en voerde aan dat hij slechts marginale hand- en spandiensten verrichtte en dat het UWV ten onrechte de fiscale winst zonder aftrek van kosten als inkomen hanteerde.
De Raad overwoog dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor zijn stellingen en dat het UWV bevoegd was om het inkomen schattenderwijs vast te stellen op basis van een zorgvuldige en uitgebreide fiscale en administratieve analyse. De zelfstandigenaftrek kon niet worden toegepast bij de vaststelling van het inkomen voor de WAO-korting. Tevens oordeelde de Raad dat het UWV tijdig en zorgvuldig heeft gehandeld en dat appellant tekort is geschoten in zijn informatieplicht.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV om de WAO-uitkering over de periode 1999-2003 niet uit te keren, de uitkering per 1 januari 2003 in te trekken, de toeslag te weigeren en de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen. De terugvordering was niet langer in geschil. De proceskosten werden niet aan het UWV opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en de terugvordering wegens niet gemelde inkomsten uit een familiebedrijf.