ECLI:NL:CRVB:2011:BR1546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van terugvordering en boete wegens niet-naleving inlichtingenplicht WAO-uitkering
Appellant ontving vanaf 1993 een WAO-uitkering wegens psychische klachten en verwierf daarnaast inkomsten als zelfstandige zonder deze aan het Uwv te melden. Naar aanleiding van een fraudeonderzoek besloot het Uwv de uitkering met terugwerkende kracht aan te passen en onverschuldigde betalingen terug te vorderen, alsmede een boete op te leggen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet voldeed aan de inlichtingenplicht uit artikel 80 van Pro de WAO, ondanks zijn bewering dat hij dacht dat zijn boekhouder dit regelde. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat appellant adequaat en tijdig openheid had moeten geven over zijn inkomsten.
Verder oordeelt de Raad dat de terugvordering niet is verjaard, omdat verjaring pas begint bij kennis van het Uwv van de onverschuldigde betaling en de schuldenaar. Ook zijn de door appellant aangevoerde dringende redenen niet voldoende om van terugvordering of boete af te zien. De opgelegde boete wordt als evenredig beschouwd gezien de ernst van de overtreding en het hoge bedrag van de onterecht ontvangen uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkeringen en de oplegging van een boete wegens niet-naleving van de inlichtingenplicht.