ECLI:NL:CRVB:2008:BF0732
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beschikbaarheid voor arbeid en weigering WW-uitkering wegens onvoldoende referte-eis
Appellant was werkzaam bij een werkgever tot 1 april 2002 en viel wegens ziekte uit. Na diverse uitkeringen op grond van de Ziektewet en WAO, vroeg appellant op 27 juli 2004 een WW-uitkering aan. Het UWV wees deze af omdat appellant niet voldeed aan de referte-eis, namelijk het verrichten van ten minste 26 weken arbeid in de 39 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag, welke het UWV stelde op 27 juli 2004.
Appellant stelde dat zijn eerste werkloosheidsdag op 15 november 2002 lag en dat hij vanaf die datum beschikbaar was voor arbeid. Hij voerde aan dat het UWV door trage en onduidelijke besluitvorming zelf de situatie had veroorzaakt waardoor zijn rechten en plichten onduidelijk waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant zich pas op 27 juli 2004 had ingeschreven als werkzoekende en dat hij in de voorafgaande periode niet had gesolliciteerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het UWV onvoldoende ondubbelzinnige verklaringen of gegevens had aangeleverd om te bewijzen dat appellant niet beschikbaar was vanaf 15 november 2002. De Raad stelde vast dat appellant zich per die datum beschikbaar had gesteld voor arbeid en vernietigde het besluit van het UWV. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van de niet-beschikbaarheid van appellant vanaf 15 november 2002.