ECLI:NL:CRVB:2008:BF0734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R. Koper
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens woonadres niet aannemelijk
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Utrecht trok de bijstand per 21 oktober 2005 in en vorderde de kosten terug, omdat werd vermoed dat appellant niet woonde op het opgegeven adres.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel degelijk op het adres woonde. De Raad oordeelde dat het College de bewijslast droeg om aan te tonen dat appellant niet woonachtig was op het opgegeven adres. Het onderzoek van het College, inclusief huisbezoek en gesprekken, bracht geen overtuigend bewijs dat appellant elders woonde. De bevindingen toonden aan dat appellant een kamer huurde bij zijn zus en haar echtgenoot en daar woonde.
De Raad vernietigde het besluit tot intrekking en de terugvordering van bijstand wegens gebrek aan deugdelijke motivering. Daarnaast werd het College veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over de niet tijdig betaalde bijstand vanaf 1 januari 2006, met rente op rente, en tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, eerste aanleg en hoger beroep.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand en terugvordering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat appellant niet woonde op het opgegeven adres; het College wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.