ECLI:NL:CRVB:2008:BF2103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- H.C.P. Venema
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding met ex-echtgenoot niet gerechtvaardigd
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder sinds 7 juli 2003. Na een anonieme tip startte het College een onderzoek naar haar woonsituatie, waarbij de sociale recherche concludeerde dat zij vanaf 7 februari 2006 een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-echtgenoot. Op basis hiervan werd de bijstand ingetrokken.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij de verklaring over samenwonen onder druk had afgelegd en dat het onderzoek onzorgvuldig was. De Raad oordeelde dat onvoldoende vaststond dat de ex-echtgenoot hoofdverblijf hield bij appellante, mede omdat hij internationaal vrachtwagenchauffeur was en slechts sporadisch overnachtte.
De Raad vernietigde het besluit tot intrekking van de bijstand en de eerdere uitspraak die dit ongegrond verklaarde. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten. Het onderzoek naar het hoofdverblijf was onvoldoende om de gezamenlijke huishouding aan te nemen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd omdat niet is vastgesteld dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-echtgenoot.