ECLI:NL:CRVB:2008:BF4129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding van schade door onrechtmatige intrekking AAW-uitkering en bedrijfsbeëindiging
Appellant stelde schade te hebben geleden door onrechtmatige intrekking van zijn AAW-uitkering per 2 januari 1984 en de daarmee samenhangende terugvordering. Dit stond niet langer ter discussie. De Raad bevestigde dat het UWV deze schade moet vergoeden.
De schadeposten betroffen onder meer de bedrijfsbeëindiging, verkoop van een woning, kosten van vervangende woonruimte, kosten van rechtshulp en renteberekening. De Raad volgde de deskundige en rechtbank in de schatting van de schade door bedrijfsbeëindiging en stelde vast dat de schade € 22.779,76 bedraagt, hoger dan eerder vastgesteld. De schade door afkoop van een spaarbrief werd niet vergoed omdat geen relevant causaal verband bestond.
De Raad oordeelde dat de lagere opbrengst van de woning door gedwongen verkoop niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de woning eigendom was van de echtgenote. Wel werd vastgesteld dat de makelaars- en incassokosten en de extra kosten voor huurwoning als gevolg van de onrechtmatige besluiten vergoed moeten worden. Het onderzoek wordt heropend voor nadere vaststelling van de huurkosten en rente.
Het beroep tegen besluiten van 19 juli 2006 en 13 februari 2007 werd deels gegrond verklaard, met vernietiging van de weigering tot vergoeding van meerkosten huurwoning. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van schade door bedrijfsbeëindiging en meerkosten huurwoning, met heropening van onderzoek naar huurkosten en rente.