ECLI:NL:CRVB:2008:BF4595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R. Kooper
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Verlaging bijstandsuitkering wegens niet aanvaarden algemeen geaccepteerde arbeid niet evenredig
Appellanten ontvingen een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante [appellant 2] werd opgeroepen om zonder begeleiding te verschijnen bij de Roteb om een baan te aanvaarden, maar verscheen telkens met een vriend als tolk, waardoor de Roteb geen werk kon aanbieden. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde een maatregel op van 100% verlaging van de bijstand voor een maand wegens het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, later verlaagd tot 50%.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde in hoger beroep dat appellante zich op 12 en 29 december 2005 schuldig maakte aan een gedraging van de derde categorie volgens de Afstemmingsverordening WWB, namelijk het belemmeren van arbeidsinschakeling. De Raad stelde vast dat het College de maatregel niet proportioneel had vastgesteld, omdat de cumulatie van gedragingen niet automatisch tot een verdubbeling van de maatregel mocht leiden.
De Raad vernietigde het besluit en stelde de verlaging van de bijstand vast op 40% gedurende één maand, passend bij de ernst en verwijtbaarheid van de gedragingen. Tevens werd het College veroordeeld tot vergoeding van renteschade en proceskosten van appellanten.
Uitkomst: De maatregel verlaging bijstand wordt vastgesteld op 40% gedurende één maand wegens disproportionaliteit van de eerdere 50%-verlaging.