ECLI:NL:CRVB:2008:BF6674
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door provocerend gedrag
Appellant was sinds 1994 parttime werkzaam bij zijn werkgever. Na een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de werkgever werd deze ontbonden per 1 juli 2006. Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het Uwv weigerde deze omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. Dit verwijt was gebaseerd op zijn tegendraads en provocerend gedrag dat redelijkerwijs tot ontslag moest leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het Uwv terecht van verwijtbare werkloosheid was uitgegaan. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn brieven voortkwamen uit een gebrek aan overleg en niet onheus waren, en dat hij niet het doel had de werkgever te schofferen.
De Raad stelde vast dat appellant ondanks waarschuwingen bleef confronteren en discussiëren, en dat zijn toonzetting en frequentie van brieven ongepast waren. Ook weigerde hij redelijke verzoeken van de werkgever op te volgen. De Raad concludeerde dat appellant redelijkerwijs moest begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden en bevestigde de weigering van de WW-uitkering.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd.