ECLI:NL:CRVB:2008:BG0500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
Appellante ontving sinds 1992 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een vermoeden van samenwoning met betrokkene heeft de sociale recherche een uitgebreid onderzoek uitgevoerd, inclusief gesprekken, huisbezoeken en getuigenverklaringen. Op grond hiervan heeft het College de bijstand per 1 april 2006 beëindigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelt dat hoewel appellante en betrokkene op verschillende adressen stonden ingeschreven, er sprake was van een feitelijke gezamenlijke huishouding. Dit blijkt uit verklaringen van de dochter, huismeester en broer van appellante, alsmede uit het lage energieverbruik op het adres van appellante.
Daarnaast is vastgesteld dat er wederzijdse zorg werd verleend, waarbij betrokkene zijn woning beschikbaar stelde en huishoudelijke taken verrichtte. De Raad verwierp het verweer van appellante dat de zorg eenzijdig was. De Raad achtte de verklaringen van getuigen betrouwbaar en concludeerde dat appellante niet langer als zelfstandig bijstandsgerechtigde kon worden beschouwd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de bijstandsbeëindiging bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellante wordt terecht beëindigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.