ECLI:NL:CRVB:2008:BG0958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van terugwerkende bijstandsverlening wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant diende op 7 maart 2005 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), welke werd toegekend vanaf die datum. Hij verzocht vervolgens om herziening met terugwerkende kracht vanaf 6 mei 1997, subsidiair vanaf latere data. Het College van burgemeester en wethouders van Tilburg wees dit verzoek af, en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij zich in maart 2002 en april 2004 bij de CWI had gemeld, maar niet kon inschrijven wegens het ontbreken van een geldig legitimatiebewijs, waardoor hij niet in staat was een aanvraag om bijstand in te dienen. De Raad overwoog dat bijstand in beginsel niet wordt verleend over perioden voorafgaand aan de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De Raad stelde vast dat appellant geen concrete data had genoemd waarop hij zich daadwerkelijk bij de CWI had gemeld met het doel om bijstand aan te vragen. Ook achtte de Raad het ontbreken van een legitimatiebewijs geen bijzondere omstandigheid die het recht op terugwerkende bijstand kon rechtvaardigen, mede omdat appellant niet had aangetoond dat hem het doen van een melding bij de CWI was ontzegd.
Daarom werd het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht terecht afgewezen en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht is terecht afgewezen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.