ECLI:NL:CRVB:2008:BG1706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WW-voorschotten na loonbetaling
Appellant had vanaf 14 september 2004 een voorschot op zijn WW-uitkering ontvangen. Later stelde het UWV vast dat appellant recht had op doorbetaling van zijn loon, waarna het UWV een bedrag van €4.959,36 aan onverschuldigd betaalde voorschotten terugvorderde. Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, maar dit werd door de rechtbank Assen ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het voorschot een voorlopig karakter heeft en dat het UWV terecht tot terugvordering is overgegaan nadat was vastgesteld dat appellant loon ontving. Er was geen uitdrukkelijke toezegging die de terugvordering zou beperken tot het daadwerkelijk ontvangen loonbedrag. Tevens had appellant geen dringende redenen gesteld die een terugvordering zouden moeten verhinderen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het beroep van appellant af. De Raad benadrukt dat dringende redenen om van terugvordering af te zien slechts kunnen bestaan bij onaanvaardbare sociale en financiële consequenties in een uitzonderlijk geval, welke niet aannemelijk zijn gemaakt. De Raad ziet ook geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van onverschuldigd betaalde WW-voorschotten wordt bevestigd.