ECLI:NL:CRVB:2008:BG1779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens niet behouden passend werk zonder arbeidsovereenkomst
Appellant kreeg een loongerelateerde WW-uitkering toegekend vanaf 3 april 2002 en een vervolguitkering vanaf 26 december 2004. Het UWV weigerde de WW-uitkering vanaf 9 januari 2006 omdat appellant door eigen toedoen het aangeboden werk bij [bedrijfsnaam] niet had behouden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat het werk passend was en door eigen toedoen verloren was gegaan.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat appellant niet op 3 januari maar op 10 januari 2006 begon met werken en op 17 januari 2006 stopte. Appellant meldde zich ziek op 17 januari 2006, waarna [bedrijfsnaam] de werkrelatie verbrak. De Raad oordeelde dat het UWV terecht vond dat appellant door eigen toedoen het werk niet had behouden en dat het werk passend was.
Echter, de Raad concludeerde dat geen arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen omdat geen overeengekomen loon bestond. Hierdoor kon artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW niet worden toegepast. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak werden vernietigd. Het UWV moet een nieuw besluit op bezwaar nemen en het verzoek tot vergoeding van renteschade betrekken. Daarnaast werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht worden vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens het ontbreken van een arbeidsovereenkomst en het werk wordt als passend aangemerkt.