ECLI:NL:CRVB:2008:BG1995
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering en afwijzing immateriële schadevergoeding
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering van 80% naar 55-65% arbeidsongeschiktheid per 17 maart 2004. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en bepaalde dat een nieuw besluit op bezwaar moest worden genomen. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank grotendeels bevestigd, met uitzondering van de beperkingen gerelateerd aan handproblemen, die wel correct waren meegenomen.
Appellant voerde aan dat hij ernstiger beperkt was dan vastgesteld en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld, onder meer door het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Hij vorderde ook immateriële schadevergoeding wegens het psychisch onbehagen en de lange onzekerheid over zijn uitkering.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor zijn stellingen over ernstiger beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige hadden de beperkingen zorgvuldig vastgesteld, inclusief de handproblemen. De functies waarop de schatting was gebaseerd, vielen binnen de mogelijkheden van appellant.
Ten aanzien van de schending van de redelijke termijn erkende de Raad dat het UWV te laat had beslist, maar vond dit niet van dien omvang dat immateriële schadevergoeding gerechtvaardigd was. Hoewel appellant psychisch onbehagen had ervaren, was geen sprake van geestelijk letsel in de zin van artikel 6:106 BW Pro.
Het beroep tegen het besluit van 27 juli 2006 werd ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van kosten voor juridisch advies werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 27 juli 2006 wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot immateriële schadevergoeding afgewezen.