ECLI:NL:CRVB:2008:BG3646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R. Kooper
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens naderhand verkregen vermogen na echtscheiding
Appellante vroeg op 13 december 2004 bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), terwijl zij in een echtscheidingsprocedure zat. Het College kende haar bijstand toe en stelde het vermogen voorlopig vast. Later werd het vermogen definitief vastgesteld op € 20.130,55, waarna de bijstand werd herzien en teruggevorderd wegens het beschikken over een hoger vermogen dan toegestaan.
De rechtbank oordeelde dat het College ten onrechte geen rekening had gehouden met een schuld aan VROM, waardoor de terugvordering werd verminderd tot € 7.611,48. Appellante stelde zich hiertegen in hoger beroep, maar de Raad oordeelde dat het College terecht het vermogen inclusief de waarde van de auto en zonder aftrek van niet-aantoonbare inrichtingskosten had vastgesteld.
De Raad bevestigde dat het College bevoegd was tot terugvordering van € 7.615,48, omdat het totale vermogen inclusief de later verkregen middelen de vrijlatingsgrens overschreed. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Ook wees de Raad het verzoek tot proceskostenveroordeling af, omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij het bewijs van schuld bij VROM eerder had ingediend.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd met verbetering van gronden.
Uitkomst: De terugvordering van € 7.615,48 bij appellante wegens overschrijding van het vrij te laten vermogen wordt bevestigd.