ECLI:NL:CRVB:2008:BG3666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met broer
Appellante woont sinds 1972 met haar broer aan hetzelfde adres en ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Na een huisbezoek in oktober 2005 bleek dat ook haar halfbroer op het adres stond ingeschreven en bij haar was ingetrokken. Het College herzag daarop de bijstand en trok deze per 31 oktober 2005 in, omdat appellante een gezamenlijke huishouding zou voeren met haar broer en daardoor geen recht had op bijstand volgens de alleenstaandennorm.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwistte zij dit oordeel. De Raad overwoog dat gezamenlijke huishouding wordt aangenomen indien twee personen hun hoofdverblijf delen en blijk geven van wederzijdse zorg. Hoewel ook de halfbroer in de woning woonde, was niet vastgesteld dat er zorg werd verleend aan hem.
De Raad concludeerde dat appellante en haar broer wel degelijk zorg aan elkaar verlenen, mede gelet op het langdurig samenwonen, het gebruik van een gezamenlijke bankrekening en auto, en de aard van de betalingen die niet als commerciële kostgeldbetalingen konden worden aangemerkt. Daarom was appellante geen zelfstandige bijstandsgerechtigde meer en was het College bevoegd de bijstand in te trekken. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding met de broer wordt bevestigd.