ECLI:NL:CRVB:2008:BG3878
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over beslagvrije voet en ziektekostenpremies bij aanvullende verzekering echtgenote
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde in hoger beroep dat bij de berekening van de beslagvrije voet alleen de premie van de ziektekostenverzekering van de schuldenaar zelf in aanmerking genomen mag worden, en niet die van de echtgenote. Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen het besluit waarbij de aflossingscapaciteit was vastgesteld zonder rekening te houden met de premie van de aanvullende ziektekostenverzekering van zijn echtgenote.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat de premie van de aanvullende ziektekostenverzekering van de echtgenote volgens haar wel ten laste van betrokkene kwam. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Volgens de Raad is de premie van de aanvullende ziektekostenverzekering van de echtgenote onderdeel van de totale premiekosten waarvoor betrokkene als verzekeringnemer aansprakelijk is op grond van de Zorgverzekeringswet.
De Raad overweegt dat de beslagvrije voet, ondanks het individuele karakter ervan, ook de premies van aanvullende ziektekostenverzekeringen voor gezinsleden omvat. De Raad wijst op de memorie van toelichting bij artikel 475d Rv, waarin is aangegeven dat de bepaling mede een verzekering omvat waarbij de schuldenaar ook zijn gezin verzekert. Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Tevens wordt appellant veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de premie van de aanvullende ziektekostenverzekering van de echtgenote moet worden betrokken bij de berekening van de beslagvrije voet.