ECLI:NL:CRVB:2008:BG4550
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 4 november 2004 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het UWV de medische situatie van appellante niet had overschat en dat de beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) juist waren vastgesteld. De medische verklaringen van behandelaars ondersteunden dit oordeel niet, mede omdat deze verklaringen betrekking hadden op periodes vóór of na de datum in geding.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, onder meer dat het UWV was uitgegaan van verouderde medische gegevens en dat haar beperkingen werden onderschat. Tevens wees zij op een latere toekenning van een WAO-uitkering per 3 februari 2006 met een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad overwoog dat het tijdsverloop tussen het medisch onderzoek en het besluit niet zodanig was dat het besluit op verouderde gegevens berustte. De medische rapporten waren zorgvuldig en juist opgesteld. De latere toekenning van een WAO-uitkering per 2006 had geen invloed op de beoordeling van de situatie per 4 november 2004. De Raad zag geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 4 november 2004 wordt bevestigd vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid.