ECLI:NL:CRVB:2008:BG4560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van medische en arbeidskundige grondslag bij schatting WAO-uitkering
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 3 juni 2005, waarbij haar een WAO-uitkering werd toegekend met een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Zij stelde dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar klachten en beperkingen, onderbouwd met medische verklaringen van haar huisarts, bedrijfsarts en een verzekeringsarts.
De Raad heeft het advies van de bezwaarverzekeringsarts bestudeerd, die diverse medische rapportages en verklaringen in overweging heeft genomen. Uit deze informatie blijkt niet dat appellante geheel ongeschikt is voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, waaronder werkzaamheden met toetsenbord en beeldscherm. De Raad constateert dat de medische beperkingen niet zijn onderschat en dat de diagnose van een chronische aanpassingsstoornis onvoldoende is onderbouwd.
Ook de arbeidskundige grondslag van het besluit is getoetst. De Raad deelt niet de opvatting van appellante dat de functies ongeschikt zijn vanwege gebrek aan ervaring, diploma-eisen of persoonlijke voorkeuren. Er zijn geen belastingen in de functies die haar mogelijkheden te boven gaan.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het vonnis van de rechtbank Rotterdam en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.