ECLI:NL:CRVB:2008:BG5934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek terugkomen op weigering WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante verzocht het UWV om terug te komen op een besluit van 20 maart 2001, waarin haar een WAO-uitkering werd geweigerd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Dit verzoek werd afgewezen omdat het aangeleverde arbeidskundige rapport geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatte die niet reeds bekend waren bij het oorspronkelijke besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV niet onredelijk had gehandeld.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte geen onderscheid had gemaakt tussen aanspraken met betrekking tot het verleden en de toekomst, en dat het besluit evident onjuist was. De Raad overwoog dat de rechtspraak waarop de rechtbank zich baseerde, niet onverkort van toepassing is in gevallen waarin in het verleden een uitkering is geweigerd. De WAO biedt mogelijkheden om aanspraken vanaf een later tijdstip te verkrijgen.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het verzoek heeft afgewezen op grond van het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Er was geen reden om het bestreden besluit te vernietigen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op de weigering van een WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.