ECLI:NL:CRVB:2008:BG6175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste toepassing artikel 43 WW bij vaststelling einddatum WW-uitkering na herleving wegens ziekte
Appellante ontving sinds 7 februari 1997 een WAO-uitkering die op 4 mei 1997 werd ingetrokken. Vanaf 5 mei 1997 kreeg zij een WW-uitkering toegekend, bestaande uit een loongerelateerde uitkering tot 5 november 1998 en een vervolguitkering tot 5 november 2000. Op 20 april 2000 meldde zij zich ziek, waarna haar WW-uitkering werd beëindigd en zij een Ziektewetuitkering ontving. Na een jaar kende het Uwv haar een WAO-uitkering toe vanaf 19 april 2001, waarbij de WW-uitkering herleefde.
Het Uwv stelde bij besluit van 13 mei 2002 de einddatum van de WW-uitkering vast op 6 augustus 2001, met toepassing van artikel 43 WW Pro, waarbij de opschortingstermijn werd verminderd met drie maanden. Appellante betwistte dit en stelde dat artikel 43a WAO van toepassing was, waardoor de korting slechts vier weken had moeten bedragen of geheel achterwege moest blijven vanwege haar zwangerschap.
De Raad overwoog dat de vaststelling van de einddatum afhangt van de datum waarop de WAO-uitkering toekwam, welke het Uwv stelde op 19 april 2001. De Raad bevestigde dat het Uwv artikel 43 WW Pro correct had toegepast door de opschortingstermijn te verminderen met drie maanden, waardoor de einddatum juist was vastgesteld op 6 augustus 2001. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Het Uwv gaf aan het besluit te zullen herzien indien in de WAO-procedure wordt vastgesteld dat artikel 43a WAO van toepassing is.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de einddatum van de WW-uitkering op 6 augustus 2001 met toepassing van artikel 43 WW.