ECLI:NL:CRVB:2008:BG6257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- T. van Peijpe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herleving WW-uitkering na ziekteperiode
Appellant had een WW-uitkering toegekend gekregen die eindigde op 16 november 2005. Na ziekmelding op 7 november 2005 werd hem een Ziektewet-uitkering toegekend en beëindigde het UWV de WW-uitkering per die datum. Toen appellant op 11 september 2006 hersteld werd verklaard, verzocht hij om herleving van zijn WW-uitkering met verschuiving van de einddatum met de duur van de ziekteperiode minus drie maanden.
Het UWV wees dit verzoek af omdat niet werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 43 van Pro de WW, met name dat het recht op WW-uitkering ten tijde van het intreden van de ziekte nog meer dan drie maanden moest duren. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens strijd met het motiveringsbeginsel, maar hield de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing en beriep zich op het vertrouwensbeginsel, stellende dat hij op grond van het besluit van 6 april 2006 mocht vertrouwen op herleving van zijn WW-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de informatie in het besluit van 6 april 2006 algemeen en onvolledig was en niet toegesneden op de situatie van appellant. Er was geen sprake van een concrete en ondubbelzinnige toezegging die in strijd was met de wet. Bovendien was de periode van drie maanden reeds verstreken toen het besluit werd genomen. Daarom kon appellant geen in rechte te honoreren verwachting ontlenen aan het besluit. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van herleving van de WW-uitkering bevestigd.