ECLI:NL:CRVB:2008:BG6336
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks WSW-indicatie
Appellant, een autogeen lasser, ontving sinds 2001 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2005 concludeerde het UWV dat zijn arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 15%, waarop de uitkering in 2006 werd ingetrokken. Appellant maakte bezwaar en verwees onder meer naar een indicatie voor sociale werkvoorziening (WSW) en een urenbeperking.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat toelating tot de WSW-doelgroep geen directe invloed heeft op de WAO-beoordeling en dat de medische rapportages onvoldoende aanleiding gaven voor verdere beperkingen. In hoger beroep bevestigt de Raad deze conclusie, waarbij expliciet wordt gewezen op het ontbreken van medische afwijkingen die de nekklachten onderbouwen en op het feit dat de werkzaamheden van de functies inpakker bakkerij en productiemedewerker bakkerij in ten minste 65% van de werkzaamheden verschillen.
De Raad oordeelt dat het UWV voldoende gemotiveerd heeft waarom de beperkingen uit de WSW-indicatie niet zijn gevolgd en dat het bestreden besluit een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag heeft. Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de WAO-uitkering blijft van kracht.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd vanwege onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag voor beperkingen.