ECLI:NL:CRVB:2008:BG6366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering en geschiktheid geselecteerde functies
Appellante, voormalig administratief medewerkster, viel in 1993 uit wegens psychische klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2005 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij naar 35 tot 45%, gebaseerd op een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en een selectie van zes functies passend binnen haar beperkingen.
Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening, waarop een bezwaarverzekeringsarts de FML aanscherpte vanwege toegenomen fobische klachten. De bezwaararbeidsdeskundige beoordeelde de functies opnieuw, maar de rechtbank oordeelde dat de arbeidskundige onderbouwing onvoldoende was omdat het CBBS niet opnieuw was geraadpleegd. De rechtbank vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit.
In hoger beroep heeft het UWV een nieuw besluit genomen waarbij de bezwaararbeidsdeskundige het CBBS wel heeft geraadpleegd en de functies opnieuw beoordeeld. De Raad oordeelt dat de medische beperkingen zorgvuldig zijn vastgesteld en dat de geselecteerde functies voldoen aan de vereisten van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. De belasting van deze functies overschrijdt de vastgestelde belastbaarheid niet, waardoor het beroep ongegrond wordt verklaard.
De Raad bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank voor zover aangevochten en ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb. Het beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.