ECLI:NL:CRVB:2008:BG6894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- T. van Peijpe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld bij WW-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante, die een WW-uitkering ontving na intrekking van haar WAO-uitkering, meldde zich op 6 februari 2006 ziek. Het Uwv stelde op basis van medisch onderzoek dat zij geschikt was voor passende functies en weigerde daarom ziekengeld toe te kennen. Appellante maakte bezwaar, maar de bezwaarverzekeringsarts onderschreef het eerdere oordeel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de overschrijding van de beslistermijn uit artikel 72c Ziektewet niet leidde tot recht op uitkering. In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische klachten waren toegenomen en dat het Uwv onzorgvuldig had gehandeld door de beslistermijn te overschrijden.
De Raad volgde de rechtbank en stelde dat appellante onvoldoende had aangetoond dat haar klachten waren toegenomen. De bezwaarverzekeringsarts had de medische informatie, waaronder van stichting NOAGG, betrokken bij zijn beoordeling en concludeerde dat er geen wezenlijke wijziging was. Ook het tijdsverloop tussen ziekmelding en onderzoek leidde niet tot een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op ziekengeld omdat onvoldoende is aangetoond dat haar medische klachten zijn toegenomen.