ECLI:NL:CRVB:2008:BG8957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW-uitkering wegens voortzetting zelfstandige werkzaamheden
Appellant was tot november 2001 in loondienst en begon vanaf 15 november 2001 als zelfstandig stuwadoor. Hij liet zijn bedrijf per 1 augustus 2002 uitschrijven en ontving daarop een WW-uitkering. Het UWV stelde echter onderzoek in naar de voortzetting van zijn zelfstandige werkzaamheden, leidend tot een rapport werknemersfraude en een besluit tot terugvordering van € 37.038,24.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 15 mei 2003 zijn werkzaamheden als zelfstandige niet volledig had beëindigd. Appellant voerde aan dat hij slechts beperkte werkzaamheden verrichtte en dat hij minder uren had gewerkt dan opgegeven, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de rechtbank en bevestigt dat appellant het werknemerschap niet heeft herkregen omdat hij zijn zelfstandige werkzaamheden niet volledig staakte binnen de wettelijke termijn. Het advies van de boekhoudster om 1225 uur als zelfstandigenaftrek op te voeren, is voor rekening van appellant. De terugvordering van de onverschuldigde WW-uitkering wordt gehandhaafd, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant ten onrechte een WW-uitkering ontving en dat de terugvordering van de onverschuldigde uitkering terecht is.