ECLI:NL:CRVB:2008:BG8977
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WW-voorschotten
Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin onverschuldigd betaalde voorschotten WW over de periode september 2001 tot en met augustus 2002 ter hoogte van € 2.258,29 werden teruggevorderd. De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond en wees haar verzoek tot benoeming van een deskundige af, omdat het UWV het besluit zorgvuldig had gemotiveerd en appellante onvoldoende had aangetoond dat de gegevens onjuist waren.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd dit oordeel bevestigd. De Raad constateerde dat appellante geen inhoudelijke grieven tegen het bestreden besluit had aangevoerd en dat het UWV voldoende inzicht had gegeven in de wijze waarop het terug te vorderen bedrag tot stand was gekomen. De Raad sloot zich aan bij de afwijzing van het verzoek om een deskundige te benoemen.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagde en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend, omdat geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht aanwezig waren.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van onverschuldigd betaalde WW-voorschotten wordt bevestigd.