ECLI:NL:CRVB:2008:BH0271

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1309 WW + 08-2034 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen overschrijding redelijke termijn en afwijzing schadevergoeding bij WW-uitkeringskorting

Appellante ontving een WW-uitkering die in 2003 werd verlaagd wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten. Na bezwaar en beroep vernietigde de Raad eerdere besluiten wegens onvoldoende motivering. Het UWV nam een nieuw besluit waarin de maatregel werd ingetrokken en de ingehouden uitkering werd nagekomen.

Appellante stelde dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedures was overschreden en dat zij geestelijk letsel had opgelopen door de korting op haar uitkering, onder meer door een oplopende huurschuld.

De Raad oordeelde dat de totale procedure, inclusief twee rechterlijke instanties, een redelijke termijn betrof van circa vijf jaar en dat deze niet was overschreden. Daarnaast was het geestelijk letsel onvoldoende onderbouwd: er was geen professionele behandeling of onafhankelijke rapportage.

Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en het beroep tegen het besluit van 20 maart 2008 werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 20 maart 2008 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

08/1309 WW
08/2034 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 januari 2008, 07/1485 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 december 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Op 20 maart 2008 heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2008. Namens appellante is verschenen mr. Hest voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door
mr. W.M.J. Evers.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was per 27 augustus 2003 in het genot van een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 28 november 2003 heeft het Uwv op die uitkering een maatregel toegepast, inhoudende een verlaging van de uitkering naar 50% gedurende zestien weken, vanaf 24 november 2003, in verband met het verrichten van onvoldoende sollicitatieactiviteiten door appellante. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 25 mei 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 5 december 2005 het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.
1.2. In hoger beroep heeft de Raad bij uitspraak van 17 januari 2007 geoordeeld dat het besluit van 25 mei 2004 niet deugdelijk was gemotiveerd, om welke reden de uitspraak van 5 december 2005 en het besluit van 25 mei 2004 werden vernietigd. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv een nadere onderbouwing gegeven en bij besluit van 11 april 2007 het bezwaar wederom ongegrond verklaard.
1.3. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 april 2007, welk beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond werd verklaard. De rechtbank was met het Uwv van oordeel dat appellante verwijtbaar in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. De rechtbank was echter tevens van oordeel dat door het Uwv onvoldoende was onderzocht of er sprake was van een dringende reden die ertoe zou noodzaken om geheel of gedeeltelijk van de opgelegde maatregel af te zien.
1.4. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Voordat appellante de gronden van het hoger beroep had ingediend heeft het Uwv - nadat op 17 maart 2008 een hoorzitting heeft plaatsgevonden - op 20 maart 2008 een nieuw besluit op het bezwaar van appellante genomen waarbij op grond van de aanwezigheid van een dringende reden dat bezwaar gegrond is verklaard, het besluit van 28 november 2003 is ingetrokken en de opgelegde maatregel is vervallen. Tevens is besloten dat de ingehouden uitkering zal worden nabetaald, inclusief de wettelijke rente. Een verdere schadevergoeding is bij het besluit van 20 maart 2008 niet toegekend.
2. Hetgeen appellante heeft aangevoerd beperkt zich - kort gezegd - thans nog tot hetgeen door het Uwv aan schadevergoeding is toegekend. Ten eerste stelt appellante dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden in de bestuurlijke fase. Ten tweede stelt appellante dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen vanwege de ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Daarbij wijst appellante erop dat zij ten gevolge van de korting op haar WW-uitkering een oplopende huurschuld had hetgeen er bijna toe heeft geleid dat zij haar woning moest verlaten.
3. Het Uwv bestrijdt dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij wijst het Uwv op de processuele opstelling van appellante die eerst in een zeer laat stadium een uitdrukkelijk beroep op de dringende reden heeft gedaan en ook de schuldenlast niet eerder heeft genoemd. Ook wijst het Uwv erop dat reeds op 15 maart 2005 door het Uwv navraag is gedaan naar de financiële situatie van appellante. Voorts wijst het Uwv erop dat de psychische toestand van appellante is veroorzaakt door de verhouding met haar vriend en niet door het Uwv.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Zoals ter zitting is bevestigd, heeft appellante thans geen grieven meer tegen de aangevallen uitspraak zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
4.2. Aangezien het besluit van 20 maart 2008 niet volledig tegemoet komt aan het bezwaar van appellante, wordt het beroep tegen het oorspronkelijke besluit onder overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van 20 maart 2008. De Raad dient derhalve te beoordelen of er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, en of er in dat verband aanleiding is voor een schadevergoeding. Tevens dient de Raad te beoordelen of er aanleiding is voor een vergoeding van schade in verband met geestelijk letsel bij appellante.
4.3. Het besluit waarbij aan appellante de thans ingetrokken maatregel werd opgelegd, dateert van 28 november 2003. Appellante heeft daartegen op 15 december 2003 bezwaar gemaakt. Op het moment waarop de Raad zijn uitspraak over dit geschil doet is, uitgaande van 22 december 2003 als de datum waarop het Uwv het bezwaar heeft ontvangen en het geschil is ontstaan, een termijn van ongeveer vijf jaar verstreken. Gelet op het feit dat naast de bezwarenprocedures hier twee rechterlijke procedures tot in hoogste instantie zijn gevoerd, is de Raad van oordeel dat in dit geval de redelijke termijn niet is overschreden.
4.4. Met betrekking tot appellantes stelling dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen vanwege de ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer merkt de Raad op dat, zoals ook ter zitting is vastgesteld, appellante geen onderbouwing kan leveren voor het door haar gestelde geestelijk leed, anders dan dat zij, met name in de periode dat zij uit haar woning gezet dreigde te worden, ernstig onder druk stond. Zij stond in die periode niet onder behandeling bij een psychiater of een andere hulpverlener, er was geen medicatie of professionele begeleiding terwijl er ook geen - onafhankelijke - rapportage is ingebracht die de stellingen van appellante ondersteunt. Naar het oordeel van de Raad is het bestaan van de gestelde schade dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt, om welke reden reeds het verzoek tot vergoeding daarvan dient te worden afgewezen. Aan een beoordeling van het causaal verband tussen het besluit van 28 november 2003 en die schade komt de Raad dan ook verder niet toe.
4.5. Het besluit van 20 maart 2008 kan derhalve in stand blijven en het beroep dat daartegen geacht moet worden gericht te zijn, dient ongegrond te worden verklaard.
4.6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 maart 2008 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en
J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 december 2008.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.J.A. Reinders.
HD