ECLI:NL:CRVB:2008:BH0386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstandsaanvraag wegens voldoende middelen op basis van leningsovereenkomst
Appellant diende een aanvraag om bijstand in die door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd afgewezen op grond dat appellant over voldoende middelen van bestaan beschikte. Het College kwalificeerde stortingen van derden op de bankrekening van appellant als inkomen. Appellant stelde dat deze stortingen het gevolg waren van een mondelinge leenovereenkomst, later schriftelijk vastgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde dat de stortingen als inkomen moesten worden aangemerkt. In hoger beroep stelde appellant dat hij voldoende aannemelijk had gemaakt dat de stortingen berustten op een geldlening. De Raad stelde vast dat appellant openheid van zaken gaf over de lening en dat de schriftelijke overeenkomst een reële terugbetalingsverplichting bevatte, die niet afhankelijk was van onzekere toekomstige gebeurtenissen.
De Raad oordeelde dat het College ten onrechte de stortingen als inkomen had aangemerkt en dat het besluit van 20 december 2005 onvoldoende was gemotiveerd. Daarom werd het besluit vernietigd en werd het College opgedragen opnieuw op bezwaar te beslissen, met inachtneming van de uitspraak van de Raad. Tevens werd bepaald dat het College het betaalde griffierecht aan appellant moet vergoeden.
Uitkomst: Het besluit van het College wordt vernietigd en het College moet opnieuw op bezwaar beslissen met inachtneming van de uitspraak.