ECLI:NL:CRVB:2008:BH0492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding met nicht
Appellant ontving sinds 1978 een AOW-pensioen voor alleenstaanden. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) concludeerde op basis van gegevens dat appellant sinds augustus 2003 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn nicht. Hierop werd het pensioen herzien naar een gehuwdenpensioen met ingang van augustus 2003. Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de toeslag, die slechts met ingang van 1 oktober 2004 werd toegekend.
De rechtbank Almelo verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat de toeslag niet met verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar voor de aanvraag kon worden toegekend, tenzij sprake was van een bijzonder geval. De Raad bevestigt deze uitspraak en overweegt dat appellant voldoende gelegenheid had om tijdig een aanvraag te doen en dat het niet eerder aanvragen voor zijn eigen risico komt.
De Raad ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel van artikel 16, tweede lid, van de AOW en wijst het hoger beroep af. Tevens wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de toeslag op het AOW-pensioen niet met verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar kan worden toegekend.