ECLI:NL:CRVB:2009:BH0291
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- I.R.A. van Raaij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks toelating tot WSW
Appellant stelde beroep in tegen de herziening van zijn WAO-uitkering, die was verlaagd van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% naar 55-65%. Hij voerde aan dat zijn medische klachten waren onderschat en dat hij recht had op de hoogste WAO-uitkeringsklasse. Tevens stelde hij dat de belastbaarheid van de functies die hem werden toegeschreven zijn mogelijkheden overschreed en dat hij daardoor een extreem hoog ziekteverzuim zou vertonen.
De rechtbank had geoordeeld dat het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige voldoende onderbouwde dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt was voor de functies. De Raad sloot zich hierbij aan en stelde vast dat appellant geen nieuwe medische gegevens had ingebracht ter onderbouwing van zijn grieven.
De bezwaarverzekeringsarts had bovendien kennis van de toelating van appellant tot de WSW per 1 augustus 2005 en achtte een medische noodzaak voor het starten met halve dagen niet aanwezig. De Raad benadrukte dat toelating tot de WSW niet automatisch betekent dat het bestreden besluit onjuist is, mede omdat het WSW-besluit op een andere wettelijke grondslag en toetsingskader is gebaseerd.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de herziening van de WAO-uitkering terecht was vastgesteld. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 55-65% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.