ECLI:NL:CRVB:2009:BH0989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling ouderlijke bijdrage op basis van gecorrigeerd verzamelinkomen
Appellant maakte bezwaar tegen de vastgestelde ouderlijke bijdrage voor zijn studerende dochter over het jaar 2007, omdat hij deze niet kon betalen vanwege hoge schulden. De IB-Groep had de bijdrage vastgesteld op basis van het gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders, conform artikel 3.9 van de Wet studiefinanciering 2000.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de bestedingen van het inkomen niet relevant zijn bij de vaststelling van de ouderlijke bijdrage. Tevens stelde de rechtbank dat er geen afdwingbare verplichting is voor appellant om het bedrag daadwerkelijk aan zijn dochter te betalen; de bijdrage dient slechts ter bepaling van het recht op een aanvullende beurs.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de overwegingen van de rechtbank onderschreven en het beroep van appellant ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak bevestigt dat het gecorrigeerde verzamelinkomen leidend is en dat persoonlijke financiële omstandigheden van de ouder niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de ouderlijke bijdrage.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de ouderlijke bijdrage op basis van het gecorrigeerde verzamelinkomen wordt bevestigd.