ECLI:NL:CRVB:2009:BH1305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging re-integratievoorziening en verlaging bijstand wegens belemmering arbeidsinschakeling
Appellant ontvangt sinds 1985 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In 2003 is een trajectplan vastgesteld waarbij appellant verplicht was mee te werken aan re-integratie via Stichting Uitzicht. In 2006 werd het contact met een potentiële werkgever (BVK) verbroken na een e-mail van appellant waarin hij aangaf geen dwangtraject te willen volgen. Het College beëindigde daarop de voorziening gericht op arbeidsinschakeling en legde een verlaging van de bijstand op van 100% gedurende een maand.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de beëindiging van de voorziening niet-ontvankelijk wegens vermeend ontbreken van procesbelang en verklaarde het beroep tegen de verlaging ongegrond. In hoger beroep stelt appellant dat hij wel procesbelang heeft en dat zijn persoonlijke omstandigheden (hoge bloeddruk en griep) het sturen van de e-mail rechtvaardigen. Tevens betwist hij de ingangsdatum en de hoogte van de maatregel.
De Raad oordeelt dat het procesbelang niet is verdwenen omdat appellant mogelijk schadevergoeding kan vorderen bij onrechtmatige beëindiging. De gedraging van appellant wordt aangemerkt als belemmering van arbeidsinschakeling, waarvoor het College bevoegd was de voorziening te beëindigen. De opgelegde maatregel van 100% verlaging wordt vernietigd omdat de ingangsdatum niet conform de Reïntegratieverordening is vastgesteld. De Raad stelt de verlaging vast op 20% gedurende een maand met ingang van 1 juli 2006. De combinatie van beëindiging en maatregel is niet disproportioneel. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De bijstand wordt met ingang van 1 juli 2006 verlaagd met 20% gedurende één maand; het besluit tot 100% verlaging wordt vernietigd.