ECLI:NL:CRVB:2009:BH1351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant en appellante waren tot 11 april 2001 gehuwd. Na hun scheiding ontving appellant bijstand als alleenstaande, terwijl hij feitelijk samenwoonde met appellante. Naar aanleiding van een anonieme melding startte het College een onderzoek, waaruit bleek dat appellant vanaf 7 maart 2002 in de woning van appellante verbleef.
Het College herzag en trok de bijstand over de periode van 7 maart 2002 tot en met 30 november 2005 in en vorderde €42.067,90 terug, waarbij appellante hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond.
In hoger beroep verklaarde de Raad het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Het hoger beroep van appellant werd inhoudelijk behandeld. De Raad oordeelde dat appellant en appellante een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor appellant ten onrechte bijstand ontving. Het College handelde correct door de bijstand te herzien en terug te vorderen. De Raad wees de beroepen af en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante is niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep van appellant is afgewezen; het College mag de bijstand herzien en terugvorderen wegens gezamenlijke huishouding.