ECLI:NL:CRVB:2009:BH1730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- C.G.M. van Rijnberk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellant ontving sinds 1988 bijstand als alleenstaande en stond sinds 1990 ingeschreven op een adres te [woonplaats]. Naar aanleiding van een politie-melding in januari 2006 dat het adres mogelijk niet bewoond werd, startte de sociale recherche een onderzoek. Dit leidde tot het besluit van 19 mei 2006 om de bijstand met ingang van 1 mei 1998 in te trekken en de kosten van bijstand over die periode terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Raad dat appellanten gedurende de periode een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit bij het College te melden, waardoor appellant ten onrechte bijstand ontving als alleenstaande. Het College heeft de inlichtingenverplichting terecht als geschonden beoordeeld.
De Raad oordeelt dat het College op grond van de WWB bevoegd was de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. Hoewel de gemeenteraad van Purmerend de verordenende bevoegdheid overschreed, beschouwt de Raad het beleid van het College als redelijk. Het College heeft bovendien bij de terugvordering rekening gehouden met het feit dat appellanten bijstand naar gehuwdennorm zouden hebben ontvangen als zij de gezamenlijke huishouding hadden gemeld.
De Raad ziet geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen en bevestigt deze, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding worden bevestigd.