ECLI:NL:CRVB:2009:BH2141

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5625 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:11 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking bijstandsuitkering wegens termijnoverschrijding

Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het College van burgemeester en wethouders van Den Helder tot intrekking en terugvordering van bijstandsuitkering. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van het beroepschrift.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij het besluit niet tijdig had ontvangen en pas in 2007 kennis kon nemen, waardoor de beroepstermijn pas toen zou zijn aangevangen. De Raad onderzocht de verzending en ontvangst van het besluit en concludeerde dat het besluit op 22 juni 2005 was verzonden en dat appellant het besluit redelijkerwijs moet hebben ontvangen.

De Raad baseerde dit onder meer op het feit dat het originele besluit in augustus 2007 bij een doorzoeking van het postadres van appellant werd aangetroffen en dat appellant bij de rechtbank een kopie van het advies van de commissie bezwaarschriften had overgelegd, wat bij het besluit was gevoegd.

Hierdoor werd de termijn voor het indienen van beroep vastgesteld van 23 juni 2005 tot 3 augustus 2005. Aangezien appellant pas in januari 2007 beroep instelde, was de termijn ruimschoots overschreden zonder verschoonbare reden. De Raad bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstandsuitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

07/5625 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 19 september 2007, 07/312 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door [B.]. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Bij besluiten van 18 februari 2004 en 8 april 2004 heeft het College de uitkering van appellant ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 1 februari 2004 beëindigd, respectievelijk de bijstand over de periode van 22 december 2003 tot en met 31 januari 2004 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd.
1.3. Naar aanleiding van een brief van het College van 27 januari 2005 waarbij de (rest) schuld van appellant aan de gemeente Den Helder is gebruteerd, heeft appellant op 9 februari 2005 het spreekuur van de sociale dienst bezocht en meegedeeld dat hij de openstaande vorderingen betwist. Bij die gelegenheid is appellant gewezen op het terugvorderingsbesluit van 8 april 2004 en is hem een afschrift van dat besluit overhandigd.
1.4. Bij besluit van 14 juni 2005, met verzenddatum 22 juni 2005, heeft het College het op 10 februari 2005 van appellant ontvangen bezwaar tegen het besluit van 8 april 2004 ongegrond (lees: niet-ontvankelijk) verklaard op de grond dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ruimschoots was overschreden.
1.5. Naar aanleiding van een telefonisch contact op 24 januari 2007 met de sociale dienst waarbij appellant tevens aangaf het besluit van 14 juni 2005 niet te hebben ontvangen, is hem een afschrift van dat besluit toegezonden. Vervolgens heeft appellant op 29 januari 2007 beroep tegen het besluit van 14 juni 2005 ingesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 juni 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is overschreden en dat niet is gebleken van redenen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij ontkent de ontvangst van het besluit van 14 juni 2005 op het adres [adres] te [plaatsnaam], het adres waar hij volgens de gemeentelijke basisadministratie sinds
4 december 2002 stond ingeschreven. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij pas bij de toezending van het afschrift in januari 2007 van dit besluit kennis heeft kunnen nemen, zodat naar zijn mening eerst op dat moment de termijn voor het instellen van beroep is aangevangen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8 Awb Pro vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Ingevolge artikel 6:11 Awb Pro blijft, als een beroepschrift is ingediend na afloop van de termijn, niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient - in geval van toezending van een besluit -voor de vaststelling dat aan de wettelijke voorwaarde voor het aanvangen van de beroepstermijn is voldaan, zowel de verzending als de aanbieding van de zending (aan het juiste adres) vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. Daarbij geldt dat niet is uitgesloten dat ook langs andere weg dan aangetekende verzending per TNT Post kan worden aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat aan deze vereisten is voldaan. Indien uit de beschikbare gegevens volgt dat de belanghebbende het besluit moet hebben ontvangen en de ontkenning van die ontvangst dus als ongeloofwaardig moet worden bestempeld, wordt zowel de verzending als de ontvangst aannemelijk geacht. Hiervan is sprake in het geval van appellant. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant het oorspronkelijke besluit op bezwaar van
14 juni 2005, met als verzenddatum 22 juni 2005, toen moet hebben ontvangen. Daartoe acht de Raad van doorslaggevende betekenis dat uit de gedingstukken blijkt dat bij een (latere) doorzoeking van de woning van [B.] op
21 augustus 2007, tevens het postadres van appellant sinds 1 mei 2007, tussen de schriftelijke bescheiden van appellant het aan appellant gerichte en aan het [adres] te [plaatsnaam] geadresseerde originele besluit van 14 juni 2005 is aangetroffen. Op dat besluit is 22 juni 2005 als verzenddatum vermeld. De Raad neemt daarbij tevens in aanmerking dat appellant bij zijn bij de rechtbank ingediende beroepschrift als bijlage een kopie van het advies van de commissie bezwaarschriften heeft overgelegd, welk advies blijkens het besluit van 14 juni 2005 bij dit besluit was gevoegd. In dat verband is nog van belang dat uit een procesverbaal van 28 augustus 2007 van sociaal-rechercheur [R.] moet worden afgeleid dat omstreeks laatstgenoemde datum uitsluitend een kopie van (de minuut van) het besluit van 14 juni 2005 aan appellant is gezonden en niet tevens een kopie van het advies.
4.3. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen kan als vaststaand worden aangenomen dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is aangevangen op 23 juni 2005 en dat de laatste dag waarop een beroepschrift kon worden ingediend
3 augustus 2005 was. Aangezien appellant eerst bij brief van 29 januari 2007 tegen het besluit van 14 juni 2005 een beroepschrift heeft ingediend, stelt de Raad vast dat ten tijde van het indienen van het beroepschrift de termijn om een beroepschrift in te dienen ruimschoots was verstreken.
In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2009.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
RB