ECLI:NL:CRVB:2009:BH3505
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- T. Hoogenboom
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade en proceskosten wegens overschrijding redelijke termijn in Ziektewetzaak
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake de toepassing van de Ziektewet. Tijdens de procedure werd een deskundige benoemd en een nieuw besluit van het UWV genomen. Appellante trok vervolgens het hoger beroep in en verzocht om vergoeding van immateriële schade en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, aangezien meer dan zes jaar was verstreken tussen het indienen van het bezwaar en de uitspraak. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, waaronder kosten voor medische rapportages, rechtsbijstand en reiskosten.
Met betrekking tot immateriële schade oordeelde de Raad dat appellante wel psychisch onbehagen had geleden, maar dat dit niet volstond voor vergoeding van schade wegens aantasting van haar persoon volgens artikel 6:106 BW Pro. Wel werd een vergoeding van € 500,- toegekend wegens het aandeel van het UWV in de overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad wees het verzoek om vergoeding van schade wegens aantasting van de eer en goede naam af, maar veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 500,- en proceskosten van € 2.179,84 wegens overschrijding van de redelijke termijn.