ECLI:NL:CRVB:2009:BH4346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep bijstand intrekking en aanvraagperiode 4 april tot 15 juni 2005
Betrokkenen ontvingen bijstand op grond van de WWB, die op 28 april 2005 werd ingetrokken met ingang van 4 april 2005 vanwege inkomsten uit arbeid van [betrokkene 1] bij een loonbedrijf. Betrokkene had een nulurencontract, waardoor het aantal uren onzeker was. Op 15 juni 2005 vroeg hij opnieuw bijstand aan.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van 28 april 2005 herzien had moeten worden voor de periode 4 april tot 15 juni 2005, omdat het verzoek niet als nieuwe aanvraag maar als verzoek tot terugkomen van het eerdere besluit moest worden gezien. De Raad onderscheidt echter tussen 4-28 april en 29 april-15 juni 2005.
Voor 4-28 april 2005 is volgens de Raad geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die herziening rechtvaardigen, mede omdat betrokkene geen bezwaar maakte tegen de intrekking. Voor 29 april tot 15 juni 2005 is de afwijzing terecht, omdat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die bijstand voor die periode rechtvaardigen.
De Raad vernietigt het besluit voor 4-28 april 2005, handhaaft de rechtsgevolgen en verklaart het beroep gegrond, maar wijst het beroep af voor de periode daarna. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de periode 4-28 april 2005 en het besluit vernietigd, maar de afwijzing van bijstand blijft in stand voor de periode 29 april tot 15 juni 2005.