ECLI:NL:CRVB:2009:BH5147

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6429 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAZ-uitkering na geschil over arbeidsongeschiktheid en urenomvang maatman

Appellant betwistte de intrekking van zijn WAZ-uitkering en voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische beperkingen en wisselvallige inzetbaarheid. Tevens stelde hij dat de urenomvang van de maatman ten onrechte op 60 uur per week was vastgesteld, terwijl hij 80 uur per week werkte.

De rechtbank Roermond had eerder geoordeeld dat het besluit van het Uwv op een toereikende medische grondslag berustte, maar vernietigde het besluit vanwege een onjuiste maximering van de urenomvang op 38 uur. Het Uwv stelde daarop de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vast zonder maximering, wat leidde tot handhaving van de 35-45% arbeidsongeschiktheid.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat het Uwv voldoende had gemotiveerd dat de belasting in de functies binnen de vastgestelde beperkingen bleef en dat er onvoldoende bewijs was voor excessief ziekteverzuim. Ook werd de stelling dat de urenomvang van de maatman 80 uur per week was, niet aannemelijk geacht.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagde en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De WAZ-uitkering bleef daarmee onveranderd gehandhaafd.

Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat de WAZ-uitkering onveranderd blijft met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Uitspraak

07/6429 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 oktober 2007, 07/741 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.A.P.L. Kusters, advocaat te Deurne, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige
J.A. Reijerse van 13 februari 2008 ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009.
Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Kusters. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.G.M. Huijs.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 12 april 2006 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd het besluit van 21 november 2005, waarbij de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 16 januari 2006 is ingetrokken.
1.2. De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 6 december 2006, 06/992, het beroep van appellant tegen het besluit van 12 april 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank is in die uitspraak tot het oordeel gekomen dat het besluit van 12 april 2006 op een toereikende medische grondslag berust. Vernietiging van het besluit van 12 april 2006 heeft plaatsgevonden, omdat – kort samengevat – aan dat besluit ten onrechte een zogenoemde maximering van de urenomvang van de maatman op 38 uur per week is toegepast bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit.
1.3. Ter uitvoering van de uitspraak van 6 december 2006 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant nader vastgesteld zonder maximering van de urenomvang van de maatman. Dit heeft geleid tot het besluit van 11 april 2007 waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 november 2005 alsnog gegrond is verklaard en appellant op en na 16 januari 2006 onveranderd voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt is beschouwd in het kader van de WAZ.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 11 april 2007 ongegrond verklaard. Ten aanzien van de betwisting door appellant van de medische grondslag is door de rechtbank overwogen dat in de uitspraak van 6 december 2006 is geoordeeld dat het besluit van 12 april 2006 op een toereikende medische grondslag berust. Nu appellant tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld en het Uwv het hoger beroep tegen die uitspraak heeft ingetrokken, is de rechtbank van oordeel dat omtrent de medische grondslag reeds onherroepelijk is beslist zodat van de juistheid van hetgeen de rechtbank in die uitspraak heeft beslist over de medische grondslag dient te worden uitgegaan. Derhalve kunnen de grieven van appellant tegen de medische grondslag in de onderhavige procedure niet meer inhoudelijk aan de orde komen. Ten aanzien van de aan de schatting ten grondslag liggende functies heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv afdoende heeft gemotiveerd dat de belasting in die functies blijft binnen de grenzen van de voor appellant vastgestelde beperkingen. Ten slotte is appellants grief dat uitgegaan dient te worden van een urenomvang van de maatman van 80 uur per week verworpen.
3. Appellant heeft in hoger beroep, kort samengevat, herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische beperkingen en dat hij medisch niet geschikt is voor de geduide functies, in welk verband is gesteld dat geen enkele werkgever akkoord zal gaan met zijn wisselvallige inzetbaarheid. Ten slotte is herhaald dat hij in de maatmanfunctie werkzaam was gedurende 80 uur per week.
4.1. De Raad onderschrijft de door de rechtbank ter zake van de medische grondslag gebezigde overwegingen en het gegeven oordeel volledig en maakt deze tot de zijne.
4.2. De Raad onderschrijft verder het oordeel en de daartoe gebezigde overwegingen van de rechtbank dat het Uwv toereikend heeft gemotiveerd dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de ten aanzien van appellant vastgestelde belastbaarheid niet te boven gaat.
4.3. De Raad overweegt voorts dat, voor zover appellants grief ten aanzien van zijn wisselvallige inzetbaarheid moet worden opgevat als een beroep op excessief ziekteverzuim, voor die stelling onvoldoende steun is te vinden in de beschikbare gedingstukken.
4.4. De Raad is ten slotte van oordeel dat appellant ook in hoger beroep onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het Uwv ten onrechte is uitgegaan van een urenomvang van de maatman van 60 uur per week. De Raad kan zich verenigen met de reactie van de bezwaararbeidsdeskundige Reijerse van 13 februari 2008 aangaande de gestelde urenomvang van de maatman.
4.5. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
4.6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.C.A. Wit.
TM