ECLI:NL:CRVB:2009:BH5926

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5527 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17, eerste lid, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onjuiste woonadresopgave volgens WWB

Appellant diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf daarbij een woonadres op. Naar aanleiding hiervan bracht het College een huisbezoek op het opgegeven adres, waaruit bleek dat appellant niet daadwerkelijk daar woonde. Hij beschikte niet over een eigen kamer, matras of voldoende persoonlijke bezittingen en kon geen toegang geven tot administratie, hetgeen de juistheid van zijn opgave betwijfelbaar maakte.

Het College wees de aanvraag af omdat appellant de inlichtingenverplichting uit artikel 17, eerste lid, WWB had geschonden door onjuiste informatie te verstrekken. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank, waarbij hij het belang van correcte woonadresinformatie voor de beoordeling van het recht op bijstand benadrukte. De Raad oordeelde dat de culturele achtergrond van appellant, behorend tot de Roma-bevolkingsgroep, onvoldoende was om de bevindingen te weerleggen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd wegens onjuiste woonadresopgave.

Uitspraak

07/5527 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2007, 06/5926 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 10 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H. Drenth, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.A. de Kock, advocaat te Amsterdam en A.M. van der Poel. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 29 maart 2006. Op het daartoe ingevulde aanvraagformulier heeft hij aangegeven te wonen op het adres [adres].
Naar aanleiding van de aanvraag is op 29 mei 2006 een huisbezoek gebracht aan de woning op het door appellant opgegeven adres. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een rapport van 2 juni 2006.
1.2. Bij besluit van 7 juni 2006 heeft het College de aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het College het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant door een onjuiste opgave van zijn woonadres te doen, de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 31 oktober 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste informatie verschaft omtrent zijn woonadres. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant niet daadwerkelijk woonachtig was op het adres [adres]. De Raad heeft daarbij met name van betekenis geacht de bevindingen van het huisbezoek op 29 mei 2006. Daaruit blijkt dat appellant niet kon beschikken over een eigen kamer of matras. Appellant kon verder slechts enkele kledingstukken laten zien. Ondergoed en schoenen kon hij, anders dan wat hij op dat moment droeg, niet tonen. Ook kon hij geen administratie, anders dan een vijftal recente poststukken, laten zien. De rest van de administratie zou in een dressoirkast liggen, maar over een sleutel van de kast beschikte appellant niet. Tegen de achtergrond hiervan heeft appellant te weinig concrete en verifieerbare gegevens ingebracht om tot het oordeel te komen dat hij ten tijde in geding woonachtig was op het opgegeven adres. Het gegeven dat appellant sinds 1990 op het betreffende adres stond ingeschreven brengt de Raad niet tot een ander oordeel, nu op datzelfde adres - een driekamer woning - nog zeven personen stonden ingeschreven, te weten twee zonen van appellant, een schoondochter en vier kleinkinderen. Aan de stelling dat deze vorm van bewoning zou samenhangen met de culturele achtergrond van appellant, die behoort tot de Roma-bevolkingsgroep, kan de Raad - mede bezien in het licht van de onderzoeksbevindingen - niet de betekenis toekennen die appellant daaraan gehecht wil zien.
4.3. Door onjuiste inlichtingen te verschaffen over zijn werkelijke woonadres heeft appellant de in artikel 17, eerste lid, van de WWB opgenomen inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of appellant ten tijde hier in geding recht heeft op bijstand. Naar het oordeel van de Raad heeft het College de aanvraag van appellant dan ook op goede gronden afgewezen.
4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2009.
(get.) R.M. van Male.
(get.) A. Badermann.
RB