ECLI:NL:CRVB:2009:BH5939
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens onduidelijke woonsituatie en schending inlichtingenplicht
Appellant vroeg op 5 maart 2007 een bijstandsuitkering aan en gaf een woonadres op waar hij volgens het gemeenteregister stond ingeschreven. De Dienst Sociale Zaken voerde in april 2007 meerdere huisbezoeken uit, waarbij bleek dat appellant niet aantoonbaar op het opgegeven adres verbleef. Het College wees de aanvraag af wegens schending van de inlichtingenplicht en onduidelijkheid over de feitelijke woonsituatie.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Appellant stelde in hoger beroep dat de voorzieningenrechter onterecht onmiddellijk uitspraak deed zonder schriftelijke uitnodiging en dat hij in de bodemprocedure nadere verklaringen wilde inbrengen.
De Raad oordeelde dat de uitnodiging telefonisch was gedaan, wat in strijd is met artikel 8:86, tweede lid, Awb, waardoor de voorzieningenrechter niet bevoegd was om onmiddellijk uitspraak te doen. De Raad vernietigde daarom de uitspraak voor zover het beroep ongegrond werd verklaard. Vervolgens beoordeelde de Raad de zaak inhoudelijk en concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij op het opgegeven adres verbleef. De aanvraag werd terecht afgewezen wegens schending van de inlichtingenplicht. Het beroep werd ongegrond verklaard en het College werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de aanvraag om bijstand terecht afgewezen wegens onduidelijke woonsituatie en schending van de inlichtingenplicht.