ECLI:NL:CRVB:2009:BH6104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending medewerkingsplicht WWB
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en voerde een gezamenlijke huishouding met zijn partner, die geen recht had op bijstand vanwege haar verblijfsstatus. Het College stelde vast dat appellant onvoldoende medewerking verleende bij het vaststellen van het inkomen van zijn partner, die een onderneming dreef.
Het geschil betrof de intrekking van de bijstand vanaf 13 april 2005 en de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen. Appellant had alleen toestemming gegeven voor het maken van kopieën van bankafschriften waarop transacties waren afgeplakt, waardoor het inkomen niet adequaat kon worden vastgesteld. De Raad oordeelde dat dit niet voldeed aan de medewerkingsplicht volgens artikel 17 WWB Pro.
De Raad stelde vast dat de gevorderde medewerking geen onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer vormde en dat appellant verantwoordelijk was voor het niet kunnen verstrekken van volledige informatie. De intrekking en terugvordering waren daarom terecht en conform de beleidsregels. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wegens onvoldoende medewerking bij het vaststellen van het inkomen van de partner wordt bevestigd.