ECLI:NL:CRVB:2009:BH6131

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6767 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47, eerste lid, WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering heropening WAO-uitkering wegens ontbreken toename arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering niet te heropenen. Het UWV had de uitkering per 8 maart 2005 ingetrokken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellante stelde dat haar gezondheidssituatie per 14 maart 2005 was verslechterd tot minstens 15% arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat niet was voldaan aan de voorwaarde van een toename van arbeidsongeschiktheid binnen vier weken na intrekking. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt vast dat uit de overgelegde stukken geen aanwijzingen blijken voor een verslechtering van de gezondheidssituatie binnen de gestelde termijn.

De Raad wijst erop dat de intrekking van de uitkering per 8 maart 2005 in rechte onaantastbaar is geworden doordat appellante geen rechtsmiddel heeft aangewend. Er is geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige of het heropenen van de uitkering. Het hoger beroep wordt dan ook verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering tot heropening van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

07/6767 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 12 november 2007, 07/464
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft A.K. Wildeboer, sociaal raadsman bij de Algemene Nederlandse Gehandicapten Organisatie te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door Wildeboer en [naam vader], haar vader. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.G.G. Schoonderbeek.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 3 mei 2005 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 7 januari 2005 waarbij de WAO-uitkering van appellante, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 8 maart 2005 is ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.
Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden, doordat appellante daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend.
1.2. Bij besluit van 14 augustus 2006 heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellante bedoeld in overweging 1.1 te heropenen. Het Uwv heeft hiertoe overwogen dat per de door appellante opgegeven datum van 14 maart 2005 geen sprake is van toegenomen beperkingen.
1.3. Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 14 augustus 2006 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 20 maart 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank is – kort samengevat – tot het oordeel gekomen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van toename van arbeidsongeschiktheid naar minstens 15% binnen 4 weken na 8 maart 2005.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de WAO – voor zover hier van belang – heeft degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45% is ingetrokken, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij binnen vier weken na de dag met ingang van welke de uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt.
3.3. In rechte onaantastbaar is dat appellante per 8 maart 2005 niet ten minste 15% arbeidsongeschikt is.
3.4. Hetgeen appellante heeft aangevoerd biedt naar het oordeel van de Raad geen aanknopingspunten om voor juist te houden haar standpunt dat haar gezondheidssituatie per 14 maart 2005 een andere was dan die per 8 maart 2005 in die zin dat er sprake was van minstens 15% arbeidsongeschiktheid (in de zin van de WAO). Uit geen van de door appellante in beroep en in hoger beroep overgelegde stukken over haar gezondheidssituatie volgt dat in de periode van vier weken na 8 maart 2005 haar gezondheidssituatie is verslechterd. Evenmin ziet de Raad in die stukken aanleiding voor twijfel daarover.Voor het benoemen van een deskundige voor het instellen van een onderzoek bestaat dan ook geen aanleiding.
3.5. Hetgeen appellante heeft gesteld over haar gezondheidssituatie vóór 8 maart 2005 miskent dat in rechte onaantastbaar is dat zij per 8 maart 2005 geen recht meer heeft op een WAO-uitkering.
4. Het door appellante aangevochten oordeel van de rechtbank is mitsdien juist, zodat het hoger beroep geen doel treft en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,a
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en
I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C.A. Wit.
JL