Appellanten ontvingen sinds 1992 algemene bijstand en vroegen in augustus 2005 een langdurigheidstoeslag aan. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage wees deze aanvraag in juni 2006 af omdat appellanten in de 60 maanden voorafgaand aan de aanvraag niet onafgebroken een inkomen hadden dat niet hoger was dan de bijstandsnorm.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen deze afwijzing ongegrond. Appellanten gingen hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Uit onderzoek bleek dat appellanten tijdens de referteperiode via kasstortingen op een bankrekening inkomen hadden dat de bijstandsnorm overschreed, waardoor niet werd voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor de langdurigheidstoeslag.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees tevens het verzoek om schadevergoeding af, omdat de afwijzing rechtmatig was. Ook werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd. De uitspraak werd op 3 maart 2009 in het openbaar gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De afwijzing van de langdurigheidstoeslag wordt bevestigd wegens overschrijding van de bijstandsnorm.
Uitspraak
07/5753 WWB
07/5754 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant 1] en [Appellant 2], gewoond hebbende te [woonplaats] thans woonachtig in Suriname (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 augustus 2007, 06/8006 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 3 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. drs. R.P. Dielbandhoesing, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2009. Voor appellanten is verschenen mr. drs. Dielbandhoesing. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellanten ontvingen vanaf 1992 algemene bijstand, laatstelijk naar de norm voor gehuwden ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Op 23 augustus 2005 hebben appellanten een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 vanPro de WWB.
1.3. Bij besluit van 15 juni 2006 heeft het College deze aanvraag afgewezen.
1.4. Bij besluit van 30 augustus 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij overwogen dat appellanten in de 60 maanden voorafgaande aan de aanvraag niet onafgebroken een inkomen hebben gehad dat niet hoger was dan de bijstandsnorm en dat derhalve niet is voldaan aan het gestelde in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2006 ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB verleent het College op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeftPro.
4.2. Uit de uitspraak van de Raad van heden in het geding tussen appellanten en het College met zaaksnummers 07/5755 WWB en 07/5756 WWB volgt dat appellant tijdens de toepasselijke referteperiode geacht wordt te hebben beschikt of redelijkerwijs kon beschikken over inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB, in de vorm van via kasstortingen bijgeschreven bedragen op een op zijn naam staande bankrekening. Over de maanden juni, oktober en november 2003 overschreed dit inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor gehuwden, welke overschrijding mede aan appellante moet worden toegerekend.
4.3. Dit betekent dat appellanten niet voldoen aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB gestelde eis, zodat het verzoek om een langdurigheidstoeslag terecht is afgewezen.
4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Nu de aangevallen uitspraak in stand blijft, kan er op grond van het bepaalde in artikel 8:73 vanPro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet geen sprake zijn van een veroordeling tot schadevergoeding, zoals door appellanten verzocht.
6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en R. Kooper als leden. De Beslissing is in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2009.