ECLI:NL:CRVB:2009:BH6428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- A.B.J. van der Ham
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen sinds 1992 algemene bijstand. Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst over twee niet gemelde bankrekeningen, stelde het College een onderzoek in. Het College concludeerde dat kasstortingen op een rekening van appellant als inkomsten moesten worden aangemerkt, waardoor te veel bijstand was verleend. Het College herzag de bijstand en vorderde €27.925,70 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellante stelde geen beroep in bij de rechtbank, waardoor haar hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard door de Raad. De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door het bestaan van de bankrekening en kasstortingen niet te melden.
De Raad verwierp het verweer dat de rekening onderdeel was van het Kasmoni-spaarsysteem, omdat appellant de zeggenschap had over de tegoeden en geen concrete bewijsstukken overlegd had. De kasstortingen werden als inkomsten beschouwd, en het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De zes-maandenjurisprudentie was niet van toepassing vanwege de schending van de inlichtingenverplichting. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand aan appellant wordt bevestigd.