ECLI:NL:CRVB:2009:BH6513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsrecht wegens ontbreken hoofdverblijf en gezamenlijke huishouding
Betrokkene ontving bijstand vanaf 1996 en gaf op te wonen op een adres te Nijmegen. Onderzoek van het water- en energieverbruik toonde extreem laag gebruik aan, wat aanleiding gaf tot het besluit van het College om het recht op bijstand in te trekken wegens het ontbreken van hoofdverblijf en het voeren van een gezamenlijke huishouding elders.
De rechtbank vernietigde dit besluit deels wegens onvoldoende bewijs over de periode vanaf augustus 2005 en oordeelde dat het College het recht op bijstand niet kon vaststellen. Het College nam een nieuw besluit dat het recht op bijstand introk over een langere periode wegens gezamenlijke huishouding en verzwegen inkomsten.
De Centrale Raad oordeelde dat het College onvoldoende bewijs had geleverd voor de gezamenlijke huishouding en verzwegen inkomsten over de gehele periode, waardoor het besluit vernietigd werd. Wel was het lage energieverbruik voldoende bewijs dat betrokkene van 4 oktober 1999 tot 9 september 2006 geen hoofdverblijf had op het opgegeven adres, zodat de rechtsgevolgen van het besluit voor die periode in stand bleven.
De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten en droeg het College op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen het besluit tot intrekking van bijstand wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, behalve voor de periode 4 oktober 1999 tot 9 september 2006 waar het recht op bijstand wordt ingetrokken.