ECLI:NL:CRVB:2009:BH6549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering en herziening AOW wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen respectievelijk een nabestaandenuitkering en een AOW-uitkering. Na een huisbezoek ontstond het vermoeden dat zij een gezamenlijke huishouding voerden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok de nabestaandenuitkering in en herzag het AOW-pensioen met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2001. Appellanten maakten bezwaar en gingen in beroep tegen deze besluiten.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat appellanten vanaf 1 januari 2001 hun hoofdverblijf gezamenlijk hadden en aan het criterium van wederzijdse verzorging voldeden. De Raad baseerde zich op objectieve criteria en verklaringen van appellanten, waaronder een verklaring van appellant over het gezamenlijk verblijf in caravan en woning.
De Raad concludeerde dat de Svb terecht de uitkering had ingetrokken en het pensioen had herzien, en dat de terugvordering van onverschuldigde betalingen over de periode 2001-2004 gerechtvaardigd was. Er waren geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en de hoger beroepen verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering en herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 januari 2001.