ECLI:NL:CRVB:2009:BH7285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke woonsituatie en schending inlichtingenplicht
Appellante heeft op 9 mei 2006 een bijstandsaanvraag ingediend bij het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage. Tijdens een huisbezoek op 19 mei 2006 bleek dat appellante en haar gezin niet op het opgegeven adres verbleven en dat er weinig persoonlijke bezittingen aanwezig waren. Verschillende verklaringen over haar verblijfplaats waren tegenstrijdig, waardoor het College twijfelde aan de juistheid van de verstrekte informatie.
Het College wees de aanvraag op 22 mei 2006 af wegens onvoldoende duidelijkheid over de woonsituatie van appellante, en verklaarde het bezwaar hiertegen op 9 augustus 2006 ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, stellende dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden en het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij alle beschikbare informatie had verstrekt en dat zij per 31 mei 2006 was verhuisd naar een zelfstandige woning, wat het recht op uitkering vanaf die datum mogelijk maakte. De Raad overwoog echter dat het primaire besluit alleen betrekking had op de periode tot 22 mei 2006 en dat het College niet verplicht was om latere wijzigingen in de heroverweging mee te nemen.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de rechtbank en bevestigt het oordeel dat appellante niet aan haar inlichtingenplicht heeft voldaan. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd vanwege onvoldoende duidelijkheid over de woonsituatie van appellante.