ECLI:NL:CRVB:2009:BH7361
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenplicht zonder vaststelling onrechtmatigheid
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd door het College van burgemeester en wethouders van Heerlen geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 10 april 2005 tot 2 maart 2006, omdat hij niet op het opgegeven adres zou verblijven en zijn inlichtingenplicht zou hebben geschonden. Het College baseerde dit op een onderzoek met meterstanden en een huisbezoek waaruit bleek dat het opgegeven adres niet als hoofdverblijf diende.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat de enkele vaststelling van schending van de inlichtingenplicht onvoldoende is voor intrekking of herziening van bijstand. Er moet vaststaan dat de bijstand ten onrechte is verleend of dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
De Raad oordeelt dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld door de schending van de inlichtingenplicht. De rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit blijven in stand. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellant en bepaalt vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van bijstand over de periode van 10 april 2005 tot 2 maart 2006 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.