ECLI:NL:CRVB:2009:BH7978
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en terugvordering bijstandsuitkering
Appellante ontving bijstand sinds 1998. Na melding van samenwoning met appellant startte de sociale recherche een onderzoek. Het College trok de bijstand in en vorderde terug over de periode 1999-2005 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.
De rechtbank vernietigde de besluiten voor de periode 1999-2001 wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding. Appellanten voerden hoger beroep tegen het standhouden van besluiten vanaf 1 juli 2001 en stelden onder meer dat er geen gezamenlijke huishouding was en dat discriminatie op grond van het IVBPR plaatsvond.
De Raad oordeelde dat appellanten vanaf 1 juli 2001 een gezamenlijke huishouding voerden, met hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse zorg. Er was geen sprake van zorgbehoefte die uitzonderingen rechtvaardigt. Het beroep op discriminatie faalde. De terugvordering en intrekking waren terecht en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.